Van 1978 tot aan zijn dood in 1988 speelde trompet en jazzlegende Chet Baker bijna uitsluitend in Europa. In de Verenigde Staten had hij het bij velen verbruid, vanwege zijn buitensporige drugsgebruik. In 1983 woont Baker af en aan in Amsterdam, vanwege de centrale ligging en de makkelijk te verkrijgen drugs. Hij neemt meer albums op dan ooit en in deze periode speelt hij volgens velen zijn meest volwassen jazz.

Journalist Maartje van Breejen schetst op haar weblog het Amsterdam van Chet Baker in vijf lokaties. De belangrijkste is het Prins Hendrikhotel. Daar kukelde de aan lager wal geraakte Baker in de nacht van 12 op 13 mei 1988 uit het hotelraam, nadat hij – zo is de officiële lezing – het raam wilde openen voor ‘wat frisse lucht’. Trompettist Evert Hekkema vertelt dat Chet Baker die avond zou optreden met tenorsaxofonist Archie Shepp in de Singer-concertzaal in Laren. Hij kwam niet. Hij was het vergeten en speelde in plaats daarvan een paar stukken mee met pianist Rob van Bavel in Jazzcafé Dizzy in Rotterdam.

Daarna nam hij een nachttrein en checkte in bij het Prins Hendrikhotel, een goedkoop hotel waar junkies graag kwamen dichtbij de Zeedijk waar het wemelde van de dealers. Vrijdag de dertiende, rondom drie uur in de nacht, het is volle maan, wordt hij dood aangetroffen op de stoep voor het hotel. De sprei van zijn kamer ligt er nog glad bij. Op het nachtkastje ligt een ruime hoeveelheid cocaïne en heroïne. Politieonderzoek wijst uit dat hij onder invloed van de vensterbank is gevallen. ‘Chet zat graag in vensterbanken,’ weet Hekkema zich nog te herinneren. Gelukkig is de muziek er nog.

      My Funny Valentine